Eindversie, 23 mei

“Nederland Ganzenland”

 

Een gezamenlijke

landelijke en regionale visie

 

 

 

 

 

De12Landschappen, de Federatie Particulier Grondbezit, de Landbouw- en Tuinbouworganisatie Nederland, Natuurmonumenten, Stichting Agrarisch en Particulier Natuur- en Landschapsbeheer Nederland, Staatsbosbeheer, Vogelbescherming Nederland,

 

 

De Ganzen-7,

 

 

 

 

 

 

 

 


 

gedreven door een gedeelde visie op “Nederland Ganzenland”, trots op de aanwezigheid van inheemse broedende ganzen, en de wens om daartoe een krachtig, bestendig en werkbaar raamwerk te formuleren;

overtuigd dat dit slechts kan worden gerealiseerd met een gemeenschappelijke benadering, gebaseerd op onderling vertrouwen, transparante samenwerking en respect voor elkaars belangen en doelen;

ons bewust van de soms tegengestelde doelen en posities van onze organisaties, en

vaststellende dat sommige onderdelen van onderhavige overeenstemming daarom slechts met lef en pijn van betrokken partijen geaccepteerd konden worden;

daarbij respecterende dat Vogelbescherming Nederland haar standpunt benadrukt tegen het doden van vogels te zijn en te blijven, en tegelijk van mening is dat door nu te handelen, de pijn te nemen en te kiezen in dit voor vogelbeschermers duivels dilemma, de ganzen uiteindelijk beter beschermd worden en dat er aanzienlijk minder ganzen gedood worden dan nu zonder deze afspraken;

bezorgd echter dat het uitblijven van een gemeenschappelijke benadering de belangen en doelen van ons ieder verder zal ondermijnen en

geleid door de opvatting dat gezamenlijk optreden niet alleen noodzakelijk is, maar ook grote meerwaarde creëert en een uniek platform biedt voor een langjarige en robuuste benadering, die landelijke uniformiteit combineert met regionaal maatwerk;

onderstrepende dat de onderdelen van onderhavige overeenstemming steeds in hun onderlinge samenhang moeten worden begrepen en dat de overeenstemming moet worden beschouwd als geďntegreerd en ondeelbaar;  

vastbesloten om onderhavige overeenstemming uit te voeren en tot een succes te maken, in goed en voortdurend overleg,

 

zijn tot de volgende overeenstemming gekomen:


 

HOOFDSTUK 1 – TERMEN

1. “Exoten” zijn die ganzen die zijn opgesomd in Bijlage I bij onderhavige overeenstemming;

2. “Soepganzen” zijn verwilderde boerenganzen en hybriden/gemengden, en vallen onder hetzelfde regime als de “exoten”;

3. “Inheemse ganzen” zijn “trekganzen” en “standganzen”, waarbij

4. “Trekganzen” (of ‘wintergasten’) die ganzen zijn die buiten NL broeden en hier ’s winters verblijven; en

5. “Standganzen” (of ‘niet-trekkende’ ganzen) die ganzen zijn die grotendeels het jaar rond, maar in ieder geval tussen1 maart en 1 oktober in Nederland verblijven en/of broeden;

6. “Foerageergebieden nieuwe stijl” zijn opvanggebieden voor overwinterende ganzen waar voedselaanbod en rust door boeren is geborgd, waar een vergoeding tegenover staat, waar ondersteunend afschot op grasland buiten foerageergebied op grasland niet meer is toegestaan en waar afschot en verjaging ook geen voorwaarden meer zijn om in aanmerking te komen voor schadevergoeding.

7. De “Ganzen-7” is het landelijk ganzenberaad, bestaande uit zeven gemandateerde vertegenwoordigers van De12Landschappen, de Federatie Particulier Grondbezit, Vereniging Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland, Stichting Agrarisch en Particulier Natuur- en Landschapsbeheer Nederland, en Vogelbescherming Nederland;

8. Een “GAK” is de generieke benaming van de regionale ‘ganzenafstemmingkaders’, welke door middel van onderhavige overeenstemming in het leven worden geroepen. 

 

HOOFDSTUK 2 –  UITGANGSPUNTEN

Nederland Ganzenland

2.1. Uitgangspunt is dat Nederland als deltagebied een land is waar ganzen thuis horen en welkom zijn. In ‘Nederland Ganzenland’ willen we populaties daarom duurzaam in stand houden. Het optreden van economische en ecologische schade, alsmede het waarborgen van de vliegveiligheid in de luchtvaart, kunnen echter aanleiding zijn om in populaties in te grijpen. Daarom moet een evenwicht worden gevonden tussen de omvang van van nature voorkomende populaties en de restrisico’s die daarmee samengaan.

2.2. De overheid is primair verantwoordelijk voor het geven van een antwoord op de vraag waar het hierboven genoemde evenwicht tussen populatieomvang en restrisico’s gelegen is, en voor het vergoeden van eventuele schade die hieruit voortvloeit. Zij maakt daartoe afspraken in internationaal verband, voorziet in wetgeving in formele en materiële zin, en draagt zorg voor monitoring en voor het noodzakelijke onderzoek. Daarbij moet de onderlinge taakverdeling tussen Rijk en provincies nader worden bepaald.

2.3. De partijen van de Ganzen-7 rekenen het tot hun verantwoordelijkheid om gezamenlijk zowel voorstellen te doen voor de door de overheid te stellen kaders, als om binnen die kaders daaraan gezamenlijk uitvoering te geven. Zij willen zowel op landelijk als op regionaal niveau overeenstemming bereiken over een aanpak, teneinde de schade door ganzen tot een gewenst niveau terug te brengen en te houden. Preventie en wijs beheer van de omvang van de populaties zijn belangrijke onderdelen van deze aanpak, mede om de kosten beheersbaar te houden en te voorkomen dat onnodig ganzen worden gedood.

 

HOOFDSTUK 3 - ALGEMENE REGELS

Doelstellingen

3.1. Mede gedreven door de overweging dat ingrijpen in de zomerpopulaties de noodzaak tot ingrijpen in de winter zal verlichten, komt de Ganzen-7 overeen de feitelijke schade door zomerganzen door het nemen van maatregelen terug te brengen tot het niveau van 2005. Zij wil dat in vijf jaar bereiken, en gaat ervan uit dat daartoe de populatieomvang van grauwe standganzen moet worden teruggebracht tot circa 100.000 exemplaren.

3.2. Ook komt de Ganzen-7 overeen om de populatie van overzomerende brandganzen te stabiliseren op de omvang van 2011.

3.3. Tenslotte komt de Ganzen-7 overeen om de populatie exoten en soepganzen in een zo kort mogelijke overgangsperiode weg te nemen voorzover zij nu of in de toekomst schade (gaan) veroorzaken. Schade doet zich immers voor in economisch opzicht bij agrariërs en in ecologisch opzicht door verdringen van ruimte en voedsel die nodig zijn voor het behoud van inheemse ganzensoorten. 

3.4. De omvang van ganzenpopulaties wordt vastgesteld op de wijze waarop thans de zomertellingen worden uitgevoerd.

Rustperiode

3.5. In de periode van 1 november tot 1 maart is een rustperiode van kracht en vindt geen afschot van ganzen plaats.

3. 6. Echter,

(a) exoten en soepganzen vallen buiten dit regime; en  

 (b) kwetsbare gewassen buiten foerageergebieden mogen worden beschermd tegen schade door ganzen door middel van verjaging met ondersteunend afschot.

Afbouw ondersteunend afschot en maatregelen in de broedtijd

3.7. De Ganzen-7 wil ondersteunend afschot  afbouwen binnen een periode van 5 jaar.  

3.8. De Ganzen-7 spreekt daarbij af, dat:

(a) ‘gras‘ voor deze regeling niet beschouwd wordt als kwetsbaar gewas;

(b) ondersteunend afschot gedurende de rustperiode geen verplichting meer moet  zijn voor schadevergoeding;

 (c) een GAK de ruimte heeft om binnen de hier bepaalde algemene regels precisieafspraken te maken, op basis van lokale omstandigheden en overeenstemming.

3.9. Maatregelen in de broedtijd zijn beperkt effectief, maatschappelijk weinig aanvaardbaar en risicovol als het gaat om negatieve bijeffecten. De Ganzen-7 is daarom van mening dat dergelijke maatregelen uitsluitend genomen kunnen worden als sluitstuk van een pakket van maatregelen tot reductie van de totale populatieomvang. De Ganzen-7 wil ingrijpen in de broedtijd bovendien eveneens binnen een periode van 5 jaar afbouwen.

3.10. De populatieomvang van standganzen, exoten en soepganzen kan tenslotte worden gereduceerd door maatregelen uit ‘de gereedschapskist’ (zie hoofdstuk 6). Dit gebeurt alleen volgend op overeenstemming binnen een GAK. De te nemen maatregelen moeten altijd passen binnen de afspraken van de Ganzen-7.

Monitoring en toetsing

3.11. De Ganzen-7 evalueert het landelijke beeld dat het gevolg is van de maatregelen die de GAK’s genomen hebben. Daartoe benutten zij de resultaten van tellingen en de monitoring bedoeld onder paragraaf 2.2. Op basis van deze resultaten en gegevens kunnen maatregelen zo nodig worden bijgesteld.

3.12. Mocht over bepaalde gegevens verschil van inzicht bestaan tussen de aanleverende organisaties, dan zal hen allereerst gevraagd worden dat verschil in onderling overleg te overbruggen. Mocht een dergelijke inspanning niet tot resultaat leiden, dan zal de Ganzen-7 zich daarover buigen.

 

HOOFDSTUK 4 – AANPAK EN VERANTWOORDELIJKHEDEN

Drie niveaus

4.1. Voor de aanpak van het ganzenvraagstuk, is een drietal niveaus van belang:

·         Het eerste niveau betreft de toepasselijke  Europese en internationale verplichtingen; verduidelijking daarvan heeft prioriteit binnen het werkprogramma van de Ganzen-7 .

·         Het tweede niveau betreft de algemeen geldende regels van de overheid en de landelijke afspraken, zoals die in gezamenlijkheid zijn of worden afgesproken door de Ganzen-7.

·         Het derde niveau betreft een samenhangende aanpak van het ganzenvraagstuk op regionaal niveau. Gedreven vanuit de overtuiging dat draagvlak en samenwerking in de regio essentieel  zijn voor een robuuste en werkbare aanpak en voor het bereiken van de gewenste landelijke resultaten, verplichten de regionale vertegenwoordigers van de partijen in de Ganzen-7 zich om in gebieden met ganzenschade tot een samenhangende aanpak van het ganzenvraagstuk te komen. De samenwerking krijgt vorm in een GAK.

Een GAK

4.2. Een gezamenlijk gedragen visie op, en aanpak van, het ganzenvraagstuk is een randvoorwaarde voor een duurzame en robuuste oplossing in het landelijk gebied. Participatie of representatie in een GAK van alle partijen in de Ganzen-7 is daarom logisch en noodzakelijk. De Ganzen-7 acht ziet het daarom als haar verantwoordelijkheid die participatie of representatie in iedere GAK te bewerkstelligen en te waarborgen.

4.3. Een GAK geeft op basis van schade en lokale omstandigheden uitvoering en verdere invulling aan onderhavige overeenstemming, en:

(a) formuleert daartoe jaarlijks een regionaal plan van aanpak voor het planmatige beheer van de populaties ter reductie van schade;

(b) volgt en evalueert de effecten van genomen maatregelen;

(c) zoekt actief naar (aanvullende) financiering, onder andere ten behoeve van schadevergoeding aan agrariërs;

(d) doet waar nodig voorstellen voor een nieuwe indeling van foerageergebieden (‘nieuwe stijl’);

(e) geeft vorm aan, en draagt verantwoording voor, externe communicatie namens de GAK;

(f) deelt informatie over haar plannen en afspraken met naburige GAKs, met het oog op regio-overstijgende gevolgen en landelijke regels en afspraken;

(g) informeert de Ganzen-7 over inhoudelijke en procesmatige ontwikkelingen, waaronder schadetrends, ganzenpopulaties en effectiviteit van beheer, ontwikkelingen binnen het GAK en uitvoeringsvraagstukken.

4.4.  Een GAK bouwt waar mogelijk voort op bestaande structuren zoals faunabeheereenheden, en staat onder leiding van een onafhankelijk voorzitter. Indien nodig krijgt een GAK rechtspersoonlijkheid, in de vorm van bijvoorbeeld een stichting of vereniging.

4.5. Deelnemende partijen in een GAK zijn gebonden aan de afspraken die binnen een GAK worden gemaakt. Partijen communiceren steeds conform de afspraken gemaakt in het GAK. 

4.6. Een GAK overlegt en werkt samen met de betreffende provincie en andere relevante partijen.

De Ganzen-7

4.7. De Ganzen-7 bewaakt de uitvoering en voortgang van deze overeenkomst. Zij monitort daartoe onder meer de plannen van de GAK’s en hun onderlinge consistentie. Ook organiseert zij elk jaar een landelijke ganzenconferentie.

4.8. De Ganzen-7 ondersteunt en faciliteert, waar nodig, een GAK, onder andere door:

(a) het aanreiken van ervaringen van elders;

(b) het bieden van een, steeds in ontwikkeling zijnde,‘gereedschapskist’;

(c) het helpen organiseren van initiële planvorming;

 

(d) het helpen overbruggen van verschillen van opvatting;

 

(e) het onderzoeken van mogelijkheden voor aanvullende financieringsbronnen.

 

4.9. De Ganzen-7 doet waar nodig (op basis van wetenschappelijke inzichten aanvullend) voorstellen voor de gewenste populatieomvang per soort.

De (rijks)overheid

4.10.  De Ganzen-7 dringt er, naast het in algemene zin gestelde onder paragraaf 2.2. van deze overeenstemming, bij de (rijks)overheid op aan:

·         een adequate vergoedingsregeling te treffen voor de schade die door ganzen wordt veroorzaakt (zie ook hoofdstuk 5);

·         waar nodig de bestaande foerageergebieden opnieuw in te delen (zie ook hoofdstuk 5);

·         de voor Nederland beschikbare POP-gelden in de toekomst te benutten om het ganzenvraagstuk mede te financieren, ondersteunend aan de benadering van onderhavige overeenstemming;

·         in de natuurwetgeving transparante en uitvoerbare regels op te nemen met betrekking tot de methodes die zijn toegestaan om de populaties van ganzen tot het gewenste niveau terug te brengen;

·         in internationaal en nationaal verband populatieontwikkeling en activiteiten die daar op ingrijpen op uniforme en vergelijkbare wijze te monitoren en af te stemmen. Dit kan onder meer door gebruikmaking van AEWA en de Goose Specialist Group;

·         een praktijkgericht onderzoeksprogramma ter ondersteuning van ‘Nederland ganzenland’ op te zetten en uit te voeren;

·         in internationaal verband actie te ondernemen om de gunstige staat van instandhouding van kwetsbare soorten als de taigarietgans/kleine rietgans/dwerggans te bevorderen.

 

HOOFDSTUK 5 – SCHADEVERGOEDING EN FINANCIERING

 

Schadevergoeding

5.1. Voor een succesvolle uitvoering van deze overeenkomst is randvoorwaarde dat daadwerkelijke schade veroorzaakt door ganzen door de overheid wordt vergoed, omdat alleen dan de aanwezigheid van ganzen en de daaruit voortvloeiende schade zullen worden aanvaard.

5.2. Daadwerkelijke schade bestaat uit gewasschade en andere bedrijfsschade (waarbij de gehele vergoeding uitkomt op circa 110% ten opzichte van de huidige systematiek).

5.3. Schadebepaling en schadevergoeding moeten snel en eenvoudig geregeld worden. Dit komt tot uiting in een taxatie binnen 2 weken na melding, uit te voeren door een tot besluiten gemandateerde taxateur. Na vaststelling van de schade vindt uitbetaling binnen 4 weken plaats.

5.4. Aan schadevergoeding moeten geen voorwaarden worden verbonden die verjaging ten doel hebben.

Foerageergebieden

5.5. De Ganzen-7 is van mening dat het systeem van foerageergebieden moet worden gehandhaafd, maar dat een herziening van de indeling daarvan noodzakelijk is (‘foerageergebieden nieuwe stijl’). Gekomen moet worden tot een slimmere indeling, waarbij foerageergebieden aaneengesloten en functioneel begrensd worden. Op voorstel van de GAK’s, dient de overheid die begrenzing vast te leggen.

 


 

HOOFDSTUK 6 – WERKPROGRAMMA GANZEN-7

Werkprogramma

6.1. De Ganzen-7 formuleert hieronder een werkprogramma.

6.2. De Ganzen-7 spreekt daarnaast af om niet later dan 1 november 2011 een bijeenkomst te beleggen over smienten, vooral omdat de effectiviteit van de bestaande maatregelen zeer gebrekkig is. Enkele startpunten en uiteenlopende overwegingen voor die discussie zijn opgenomen in een niet-limitatief overzicht in Bijlage II.      

Juristenforum

6.3. Het is van groot belang dat de partijen in de Ganzen-7 een gedeeld beeld hebben van de toepasselijke  Europese en internationale verplichtingen (zie ook paragraaf 4.1).

6.4. Om dat gedeelde beeld te vormen, roept de Ganzen-7 op korte termijn, maar niet later dan 2 maanden na de vaststelling van onderhavige overeenstemming, een juristenforum bijeen. Dit forum bestaat uit vijf juristen, waarvan vier door de Ganzen-7 in gezamenlijkheid worden gekozen, en de vijfde, als onafhankelijk voorzitter, door de andere vier juristen in gezamenlijkheid wordt geselecteerd.

6.5. Het juristenforum zal worden gevraagd om in kort bestek een overzicht samen te stellen van de toepasselijke Europese en internationale verplichtingen, inclusief een gedeelde interpretatie daarvan.

Regionale indeling GAK’s

6.6. De Ganzen-7 doet op korte termijn, maar niet later dan 1 november 2011, voorstellen voor de regionale indeling ten behoeve van de instelling van de GAK’s.

6.7. Vier belangrijke  overwegingen daarbij zijn:

(a) de bestaande provinciale indeling;

(b) de aanwezigheid van ganzen(schade) in een aaneengesloten gebied;

(c) de (regionale indeling van) bestaande regionale overlegstructuren; en

(d) effectiviteit en praktische uitvoerbaarheid.

De gereedschapskist

6.8. De ‘gereedschapskist’ is een menu van maatregelen, instrumenten, suggesties, methoden en processen, dat de Ganzen-7 zal opstellen om de GAKs te ondersteunen in de uitvoering van hun taken.

6.9. De Ganzen-7 zullen voorstellen formuleren om inhoud te geven aan het onder 6.8 bedoelde menu.   

6.10. Conform hoofdstuk 3 spreekt de Ganzen-7 hierbij af dat het pakket aan maatregelen om de beoogde afbouw van het ondersteunend afschot en van maatregelen tijdens de broedperiode te realiseren, zo spoedig mogelijk zal worden uitgewerkt en geoperationaliseerd, opdat iedere GAK bij oprichting direct aan de slag kan om het pakket te implementeren.

Operationalisering, conferentie en review

6.11. De Ganzen-7 zal op korte termijn een uitvoerend secretaris aanstellen  ter ondersteuning van de uitvoering van haar taken.

6.12. De Ganzen-7 zal niet later dan juni 2012 een eerste landelijke ganzenconferentie beleggen, waar  de uitvoering van onderhavige overeenstemming wordt doorgesproken.

6.13. De Ganzen-7 spreekt daarnaast af dat onderhavige overeenstemming, inclusief de verdere uitwerking ervan, alsmede de ervaringen in en uitvoering door de GAKs, zal worden onderworpen aan een evaluatie, niet later dan 3 jaar na de eerste landelijke ganzenconferentie. De terms of reference voor deze evaluatie worden door de Ganzen-7 opgesteld, niet later dan 1 november 2011.

 

 

 

 

 


 

BIJLAGE I

Exoten (zie paragraaf 1.1 van de overeenstemming):

 

 

Uit: van der Jeugd H.P., Voslamber B, van Turnhout C., Sierdsema, H., Feige, N., Nienhuis, J. & Koffijberg, K. 2006. Overzomerende ganzen in Nederland: grenzen aan de groei? Sovon-onderzoeksrapport 2006/02. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.

 

Tabel 1.1. Overzicht van ganzensoorten in Nederland en hun status.

 

Goose species in the Netherlands and their status.

 

Soort

Status wintergasten

Status broedvogels

Toelichting

Zwaangans

Exoot

Exoot

 

Toendrarietgans

Inheems

Exoot

 

Taigarietgans

Inheems

nvt

Broedt niet in Nederland

Kleine Rietgans

Inheems

nvt

Broedt niet in Nederland

Kolgans

Inheems

Exoot

 

Dwerggans

Inheems

nvt

Broedt niet in Nederland

Grauwe Gans

Inheems

Inheems

 

Soepgans

 

 

Aparte status

Keizergans

Exoot

Exoot

 

Sneeuwgans

Deels inheems

Exoot

 

Ross' Gans

Deels inheems

Exoot

 

Indische Gans

Exoot

Exoot

 

Kleine Canadese Gans

Inheems / exoot

Exoot

Ondersoort-specifiek

Grote Canadese Gans

Exoot

Exoot

 

Brandgans

Inheems

Exoot / Inheems

Waarschijnlijk deels inheems

Roodhalsgans

Inheems

nvt

Broedt niet in Nederland

Rotgans

Inheems

nvt

Broedt niet in Nederland

Nijlgans

Exoot

Exoot

 

 


 

BIJLAGE II

Niet limitatief overzicht met enkele startpunten en overwegingen voor de bijeenkomst over smienten, conform paragraaf 6.2:

 

§  Nederland huisvest een grote populatie van deze eendensoort;

 

§  Het gedrag van smienten is anders dan het gedrag van ganzen, en speciale foerageergebieden voldoen niet;

 

§  De schade van smienten bedraagt tussen de €800.000 - €1.000.000;

 

§  Duurzame benutting kan, net als wilde eend op de wildlijst met een open jachtseizoen;

 

§  De smient is een beschermde soort, en (verjagend) afschot is niet effectief, dus jacht op de smient moet stoppen en schade moet worden vergoed;

 

§  Bij de smienten kan enerzijds aan een rustperiode worden gedacht, en anderzijds aan verjaging met ondersteunend afschot in de periode dat de meeste schade wordt aangericht;

 

§  De rustperiode zou kunnen gelden van 1 november tot 1 maart.

 

§  In de maanden september, oktober, maart en april kan gedacht worden aan gebiedsgericht verjagen met ondersteunend afschot vanaf de agrarische gronden naar de natuurgebieden.

 

§  In de foerageergebieden ‘nieuwe stijl’ kan afschot worden afgebouwd;

 

§  Voor schadevergoedingen kan gedacht worden aan de benadering in de ganzen overeenstemming;

 

§  Totale schade door smienten zou fors kunnen stijgen ten opzichte van de huidige situatie;

 

§  Indien het totale smienten-schadebedrag onacceptabel hoog oploopt zou kunnen worden besloten om smienten ook in de rustperiode op de meest kwetsbare gewassen te verjagen met ondersteunend afschot.